Volgend jaar verschijnt (waarschijnlijk) ‘Domweg gelukkig in de Meidoornstraat’, een boek dat Martin Rep over zijn jeugd in Zaandam-Zuid schrijft. Hier alvast een hoofdstuk uit het boek (Martin Rep las het gisteravond voor bij de Orkaan Eindejaars Nieuwsquiz).

Wat moeten we weten?

Het verhaal speelt omstreeks 1956. Mijn vader is sigarenwinkelier in de Meidoornstraat in Zaandam. Ik ben de jongste van zijn drie zoons en ik lust geen Brussels lof.

Tinus, mijn vader, at op één bil.

Rond half één werd het warme eten opgediend. Op maandag aten we meestal bietjes, die waren al voorgekookt door groenteboer Theo de Heer, dus dat was makkelijk voor mijn moeder, die het op wasdag vreselijk druk had. Op zaterdag was het vaak rijst, waar mijn vader warme melk op goot en flink suiker op strooide; op vrijdag soms vis. Niet omdat wij katholiek waren, maar omdat op vrijdag de visboer in de Meidoornstraat kwam.

Voordat wij de eerste hap namen of zelfs maar onze vork oppakten om aardappelen, groente en vlees op te scheppen en te prakken, kuchte mijn vader. Meer was niet nodig. Wij legden ons bestek neer, Tinus zijn brandende sjekkie, wij sloten onze ogen en luisterden, terwijl mijn vader voorging in gebed:

Ah-onze Vader die in den Hemelen zijt
Uw naam worde geheiligd
Uw koninkrijk kome…

Het vrome moment werd onderbroken door de winkelbel. Een klant. Gelukkig was het Onze Vader al bijna tot een goed einde gebracht.

Tot in der eeuwigheid. Amen.

Mijn vader pakte zijn peuk op, trok er stevig aan, stond op, schoof het gordijn opzij dat de scheiding vormde tussen wonen en werken, en betrad de voorkamer, die hij Sigarenmagazijn Rep noemde. “Opschieten”, bromde hij tegen de klant. Het was een jongen die voor vijf cent snoep kwam halen. Hij woonde vlakbij, op de Troelstralaan, en kon niet goed praten. Hij treuzelde altijd en, het ergste van alles, hij kwam altijd als ons gezin nèt aan tafel was gegaan. Pas na een paar minuten zou hij zijn keus hebben gepaald. “Taunum”, bracht hij stotterend uit. Kauwgom, wist mijn vader. Zonder plichtplegingen nam hij de stuiver in ontvangst en zonder groeten wachtte hij tot de jongen de winkeldeur achter zich had gesloten.

Wij hoorden hem de munt in de kassa gooien, maar we hadden zijn terugkomst niet afgewacht. Ik had al met de juslepel een kuiltje gemaakt in de grijze berg aardappelen en Brussels lof op mijn bord, toen mijn vader de gebutste zinkkleurige aardappelpan pakte. Maar voordat hij de lepel in de dampende pan kon steken, klonk opnieuw de winkelbel.

Tinus Rep in de winkel (verhaal gaat door onder de foto)

“Snotverdorie”, bromde hij. “Je eet hier op één bil.” Nu bleef hij langer weg, het eten werd koud. Toch klonken vriendelijker stemmen door van achter het gordijn. Blijkbaar was het ditmaal een goede klant die onze maaltijd kwam verstoren. Het nog lege bord van mijn vader werd omgekeerd op de schaal met aardappels gezet.

Toen hij eindelijk opnieuw was teruggekomen uit de winkel, was het eten koud geworden. Zwijgend schepte hij op, zwijgend at hij zijn bord leeg. Op het laatst moest hij het schuin houden om de laatste restjes aardappels en jus op zijn lepel te krijgen.
Hij keek mij aan. Mijn bord was nog lang niet leeg. Ik vorderde heel langzaam. Maar tijdens het bijbel lezen moest ik mijn bestek eerbiedig opzij leggen. Tinus opende de Bijbel op een willekeurige plek en las Psalm 136:

Looft de Here, want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Looft de God der goden, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Looft de Heer der heren, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Daarna klapte hij het boek dicht, sloot de ogen en ging voor in gebed:

O Heer wij danken u van harte
Voor nooddruft en voor overvloed;
Waar menig mens eet brood der smarte,
Hebt Gij ons mild en wel gevoed;
Doch geef, dat onze ziele niet
Aan dit vergank’lijk leven kleev’,
Maar alles doe, wat Gij gebiedt,
En eind’lijk eeuwig bij U leev’.

Amen, besloot hij. Tinus pakte zijn inmiddels gedoofde peuk weer op en haalde zijn aansteker uit zijn broekzak.

Ik pakte mijn vork weer op en deed mijn best de witlof zo diep mogelijk onder de aardappels te begraven, maar het lukte toch niet helemaal de bittere smaak van de groente weg te werken. Ondertussen moest ik zorgen niet te kokhalzen. Voor eten moest je dankbaar zijn, hield mijn vader ons voor. “In de oorlog moesten we tulpenbollen eten. Brussels lof, daar deden wij een moord voor.” Dat mijn vader deze lof niet uit de grijpgrage klauwen van de moffen had hoeven te trekken tijdens zijn hongertochten naar de Wieringermeerpolder, maar gewoon uit de winkel van Theo de Heer kwam, maakte geen verschil.

Simon, mijn oudste broer, keek naar mijn nog halfvolle bord en zei: “Lof, zei De Heer, is de beste groente die er bestaat.” Ik schrok van die spotternij, maar zelfs Tinus moest erom lachen.

Wilgenstraatsloot, oorspronkelijk de dijksloot aan de oostkant van de Zuiddijk. Dus in de Uithoek c.q. de ‘Meidoornbuurt’ foto van Gemeentearchief van rond 1980