Officier in de Orde van Oranje-Nassau, krantenman, Zaankanter. Jan de Vries (1933-2026) is overleden.
Met hem verdwijnt een man voor wie journalistiek nooit zomaar werk was, maar een overtuiging.
Met oud-collega’s kijken we terug op iemand die zich zijn hele leven met hart en ziel voor de regio, de krant en het publieke debat heeft ingezet.
Jan werd op 20 november 1933 geboren in Zaandam. Die plek bleef trekken, ook toen zijn loopbaan hem naar Amsterdam en later naar bestuurlijke toppen in de uitgeverswereld bracht. In 1958 begon hij als leerling-redacteur bij Het Parool. Daar leerde hij het vak in volle vaart kennen, groeide hij door tot adjunct-redactiechef en werd hij gevormd door de hectiek van de dagelijkse krant. De druk, de snelheid, het samenstellen onder tijdsdruk: het paste hem.
In 1979 keerde hij terug naar zijn geliefde streek als hoofdredacteur van De Typhoon. Hij trof een redactie met tradities en vaste gewoonten. Verandering ging daar niet vanzelf. Rob Vreeken, die hem toen meemaakte als jonge verslaggever, herinnert zich hoe dat botste: ‘Dan kwam de stoom soms uit zijn oren, of een rode gloed steeg vanaf zijn hals naar zijn kaken.’ Maar Vreeken voegt er meteen aan toe dat hij Jan nooit op onrechtvaardigheid kon betrappen. Onder die felheid zat een loyale vakman.
Tante Mien
Jan wilde de krant scherper, ambitieuzer, minder vanzelfsprekend maken. Niet elk wissewasje hoorde in de krant. Melchert Leguijt, die als jonge redacteur onder zijn leiding begon, kreeg dat gevoel ingeprent met een simpele vraag: ‘Denk je dat tante Mien op het Hanepad dat begrijpt?’ Het typeerde Jans journalistieke moraal: helder schrijven, voor echte mensen.
Tegelijk vond hij dat een regionale krant niet klein hoefde te denken. Toen een interviewkans zich in Hamburg bevond, zei hij tegen Pieter Groenewold: ‘Als je nu in je auto stapt, kun je over zes uur in Hamburg zijn.’ Dat was Jan. Geen beperking door geografie, geen valse bescheidenheid. Journalistiek stopte niet bij het Hanepad.
Onder zijn leiding kreeg De Typhoon meer allure. Hij haalde mensen binnen, verbreedde de blik en legde de basis voor de kabelkrant, die in 1985 van start ging. Er was koudwatervrees, maar Jan zag dat nieuwe media geen bedreiging waren als je ze zelf vormgaf. Op Wendy Kind, die als achttienjarige stagiaire begon, maakte De Vries indruk: ‘alleen al vanwege zijn lengte, zijn statige gestalte, zijn vorsende blik en basstem’. Het kwam goed tussen hen: hij bleek later zeer toegankelijk en vriendelijk.
Ook buiten de redactie bleef hij voor velen een baken. Ronald Massaut beschrijft hem eenvoudig als ‘een Meneer’. Die hoofdletter is veelzeggend. Hij straalde gezag uit, maar was er ook wanneer jonge journalisten hem nodig hadden. Hij liet chefs hun werk doen, maar keek mee. Hij kon zich op de achtergrond houden en op het juiste moment beslissend aanwezig zijn.
In 1985 werd Jan directeur van De Typhoon en enkele jaren later algemeen directeur van Damiate Holding in Haarlem. Hij trof een bedrijf dat onder druk stond door technologische veranderingen en economische stagnatie. Reorganisaties waren onvermijdelijk. Drukkerijen sloten, redacties fuseerden, structuren veranderden. Het waren zware jaren, waarin hij vrijwel onafgebroken bezig was met het toekomstbestendig maken van regionale dagbladen.
Gerhard Stavenuiter herinnert zich hoe Jan hem vroeg een complexe functie te vervullen. Toen Gerhard twijfelde, was het antwoord even nuchter als typerend: ‘Het dondert niet, jongen. Het is hier een slangenkuil. Ik heb gewoon iemand nodig die ik op z’n blauwe ogen kan vertrouwen.’ In die zin zit alles: zijn directheid, zijn loyaliteit en zijn vertrouwen in mensen.
Ook Winnie de Wit herkent dat vertrouwen en die warmte. Zij spreekt over ‘dat warme Zaanse nest’. En over die winterochtend in 1987, toen hij onverwacht met een cheque voor de deur stond als dank voor het onderzoek naar de kabelkrant dat haar man, Jan Lapère, had gedaan. Voor haar blijft hij bovenal een warm mens.
Fusie
Onder zijn leiding werd de fusie tussen Damiate Holding en de Verenigde Noordhollandse Dagbladen gerealiseerd. In 1991 ontstond de Hollandse Dagbladcombinatie. Jan werd in die jaren een van de gezichten van de Nederlandse dagbladuitgevers. Hij vervulde tal van functies binnen de Gemeenschappelijke Pers Dienst (GPD) en de Nederlandse Dagbladpers (NDP) en bewoog zich ook op Europees niveau in uitgeversverbanden. Het was een periode van schaalvergroting, concentratie en fundamentele verandering in het medialandschap.
Voor zijn verdiensten werd hij op 26 november 1993 benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. De onderscheiding markeerde zijn afscheid als directeur, maar niet zijn betrokkenheid bij de regio en de journalistiek.
Het was waarschijnlijk zijn liefde voor de streek die hem continu van de zijlijn naar het middenveld dreef. Hij was mede-initiatiefnemer van de Encyclopedie van de Zaanstreek, een standaardwerk dat zonder zijn vasthoudendheid waarschijnlijk nooit was verschenen. Hij zette zich in voor hockeyclub De Kraaien, voor de aanleg van de Zaanse golfbaan en voor tal van culturele en maatschappelijke initiatieven. Gerhard Stavenuiter herinnert zich Jans motivatie voor die golfbaan in één rake zin: ‘Want anders staan daar over een paar jaar van diezelfde flatgedrochten als langs de Coentunnelweg.’
Ook collega’s die later zijn pad kruisten, bewaren een warm beeld.
Lars Meiners, die hem opvolgde als hoofdredacteur en later met hem als directeur werkte, vat hun soms stevige verhouding uiteindelijk samen met één zin: ‘Hij was een man met een geweldig journalistiek hart.’
Jan de Vries was misschien niet altijd makkelijk, maar in alle herinneringen klinkt hetzelfde door: hij was eerlijk, praktisch gedreven, betrokken. En overtuigd van het belang van een sterke regionale pers.
Het beeld van een bevlogen, grote, krantenman, een bestuurder met visie en een Zaankanter in hart en nieren staat fier rechtop.
Een Meneer.
Met een journalistiek hart.
Herinneringen aan Jan de Vries

Rob Vreeken
‘Uiteindelijk bleek Jan veel lankmoediger en empathischer dan we aanvankelijk vreesden.’
Jan de Vries begon bij De Typhoon in het voorjaar van 1979, een paar maanden nadat ik er in dienst was getreden. Hij als de nieuwe hoofdredacteur, afkomstig van Het Parool, ik als jonge verslaggever.
Jan was niet in alle opzichten te benijden. Hij kwam terecht bij een krant waarvan de dagelijkse leiding in handen was van mannen die er sinds mensenheugenis werkten. Zijn voorganger Cees Meijer al sinds 1945, chef redactie Klaas Pot ook, als ik me niet vergis. Ook andere vooraanstaande redacteuren dienden al sinds de jaren vijftig en zestig.
Daardoor was de krant onmiskenbaar behept met een forse dosis journalistiek conservatisme. Als wij, jonge verslaggevers, voorstelden om sommige zaken voortaan iets anders aan te pakken, stuitten we onverminderd op een muur van contra-argumenten. Nou ja, eigenlijk maar één argument: ‘Zo doen we dat nou eenmaal bij De Typhoon.’
Ook Jan wilde sommige zaken iets anders aanpakken, dus ook hij botste tegen die muur, dat werd al spoedig duidelijk. Daar probeerde hij dan met tact, geduld en behoedzaamheid op te reageren, alleen voorzag zijn karakterologische gereedschapskist niet echt in die kwaliteiten. Dus dan kwam de stoom soms uit zijn oren, of een rode gloed steeg vanaf zijn hals naar zijn kaken.
Maar op wat later grensoverschrijdend gedrag ging heten heb ik hem nooit kunnen betrappen, en collega’s konden gerust potjes breken, zonder dat ze daarop werden afgerekend. Uiteindelijk bleek Jan veel lankmoediger en empathischer dan we aanvankelijk vreesden. Achteraf vind ik zelfs dat hij wel wat strenger had mogen zijn, want veel te veel tijd verspilden wij, jonge verslaggevers, met tafeltennissen en journalistiek hobbyisme, tijd die we beter hadden kunnen gebruiken voor verdieping en research.
Een echte vakman ook. Niet voor niets steeg hij al snel in de hiërarchie van Damiate Pers. Ook van het landelijke Genootschap van Hoofdredacteuren was hij geruime tijd voorzitter.
Lang heb ik niet met Jan gewerkt, ruim drieënhalf jaar, waarvan twee jaar op afzonderlijke posten: hij in Zaandam, ik in Haarlem op de redactie binnen/buitenland. Hoe dan ook heb ik er goede herinneringen aan.
Gerhard Stavenuiter
‘Wat hij me toezegde, kwam hij na en hoewel er situaties waren waarin dat had kunnen gebeuren, heeft hij me nooit laten vallen.’
Van 1985 tot 1994 eerst redacteur van De Typhoon en later hoofd Informatievoorziening en Automatisering onder Jan de Vries.
Jan de Vries was voor mij een Zaankanter in hart en nieren. Hij was verknocht aan de Zaanstreek en de Zaankanters en liet dat op allerlei manieren blijken. Zijn bijdrage aan de oprichting van de Zaanse Golfclub was daar een sprekend voorbeeld van. Het natuurbad De Wijde Wormer kwam ten einde en Jan was een van de initiatiefnemers om dat terrein te veranderen in een golfbaan. Toen ik hem vroeg waarom hij zich daar zo voor inzette, antwoordde hij: ‘Want anders staan daar over een paar jaar van diezelfde flatgedrochten als langs de Coentunnelweg.’
De Encyclopedie voor de Zaanstreek was ook zo’n voorbeeld. Hij wilde een gedegen standaardwerk over zijn streek tot stand brengen met de bijdragen van de grootste deskundigen op dat terrein. Ondanks allerlei praktische en principiële bezwaren zette hij door en die encyclopedie kwam er.
Want hij was naast journalist ook een ondernemer, die er niet tegenop zag om tegen de stroom in te roeien en tegenwerking te trotseren om een idee tot stand te brengen. Vaak deed hij dat met weloverwogen argumenten, maar hij schuwde de vuist op tafel ook geenszins. Dan liep z’n hoofd rood aan en uitte hij met ingehouden woede woorden als: ‘Het zal me godverdegodver niet gebeuren dat ze dat voor mekaar krijgen!’
Als hoofdredacteur van De Typhoon had hij mij eind 1984 aangenomen om De Typhoon Kabelkrant tot stand te brengen – ook weer een initiatief van hem om de Zaanstreek voorop in de vaart der volkeren te laten lopen. Daarvoor moest hij veel koudwatervrees wegnemen bij redactie, abonnementenafdeling en advertentieafdeling, die bang waren dat gratis berichten op tv onherstelbare schade aan de papieren krant zou toebrengen. Maar ook dat lukte hem en de kabelkrant kwam er én bleef er tot internet hem inhaalde.
Na hoofdredacteur werd Jan directeur van De Typhoon en daarna directeur van Damiate Holding, waartoe De Typhoon behoorde. In die functie zorgde hij eerst voor een nauwere samenwerking tussen de uitgaven binnen dat concern. Daarna bracht hij mede de fusie tot stand tussen twee grote dagbladuitgeverijen in Noord- en Zuid-Holland: De Verenigde Noordhollandse Dagbladen en Dagbladuitgeverij Damiate. Ook dat waren beide ingrijpende processen die vanzelfsprekend niet zonder slag of stoot verliepen. Maar het is mede aan hem te danken dat er tot op de dag van vandaag in al die regio’s nog regionale dagbladen bestaan.
Jan was een man van z’n woord. Wat hij me toezegde, kwam hij na en hoewel er situaties waren waarin dat had kunnen gebeuren, heeft hij me nooit laten vallen. Tekenend was wel toen hij me eind jaren ’80 belde als directeur van Damiate.
‘Gerhard, Damiate zoekt een hoofd Informatievoorziening en Automatisering en ik dacht aan jou.’
‘Jan, ik ben journalist, geen computerdeskundige.’
‘Dat dondert niet, jongen. Het is hier een slangenkuil. Ik heb gewoon iemand nodig die ik op z’n blauwe ogen kan vertrouwen. Kom.’
Zeg dan maar eens nee.
Han Lieshout
‘Ik heb mij toentertijd als onervaren leidinggevende, die vorm moest geven aan de veranderingen, altijd gesteund gevoeld door hem.’
Ik werkte nog maar een paar jaar bij De Typhoon toen Jan de Vries zijn intrede deed. Een heel ander type dan de gemoedelijke Cees Meijer, die jarenlang de scepter zwaaide aan de Westzijde. Het was wennen voor de oude garde, dat weet ik nog wel. De Vries wilde de krant een ander professioneler gezicht geven. En dat stuitte uiteraard op weerstand.
Ook de inhoud van de sportpagina’s – ik was in zijn tijd sportredacteur – moest er aan geloven. Ik heb hem toen best goed leren kennen. Pijnlijke maatregelen werden genomen. De Vries was recht door zee, eerlijk, soms wat afstandelijk en bars.
Ik heb mij toentertijd als onervaren leidinggevende, die vorm moest geven aan de veranderingen, altijd gesteund gevoeld door hem. En tijdens gesprekken in het aquarium zoals we het glazen hok van de hoofdredacteur noemden heb ik hem leren kennen als een prettige warme persoonlijkheid.
Melchert Leguijt
‘Zo jongen, dus jij hebt S5. Dat lijkt me alleen maar een aanbeveling, je kunt op 1 december beginnen.’
Jan de Vries zat er die novemberochtend in 1979 ontspannen bij. De hoofdredacteur van De Typhoon had zijn armen losjes over elkaar, hing licht onderuit in zijn stoel en ik verdacht hem ervan dat hij zijn benen het liefst op het bureau had gelegd. Zijn gemoedstoestand stond in schril contrast met die van mij. Ik had zweetplekken onder mijn oksels en zat nerveus met een pen te spelen. Niet zo handig tijdens een sollicitatiegesprek, maar ja, ik wilde die baan als sportredacteur bij dé krant van de Zaanstreek ook zo verschrikkelijk graag. En bovendien moest ik De Vries nog gaan vertellen dat ik, om de job te krijgen, het in militaire dienst op S5 had aangestuurd. Voor de jonge lezertjes: dat was een soort gekverklaring. Jan de Vries vond het geen enkel probleem.
Hij was bij De Typhoon de opvolger van hoofdredacteur Cees Meijer. Onder De Vries veranderde er wel het een en ander op journalistiek gebied. Hij had zich voorgenomen om De Typhoon ‘hoogdrempeliger’ te maken. In die tijd kwam het bij wijze van spreken al in de krant als er bij Zilvermeeuwen een doelpaal was geschilderd. Dat soort hele kleine nieuws stoorde hem. Hij had de stelregel dat niet alles in de krant kon (en mocht). Dat bracht hem in conflict met sommige oudgedienden die dat juist de kracht van de krant vonden. Daardoor verloor bijvoorbeeld de chef van de sportredactie zijn positie. Als die erop werd gewezen dat een bepaald bericht (dat was ingezonden door een sportclub) echt niet nieuwswaardig was, was zijn antwoord: ‘Maar het zijn wel je abonnees, hoor.’
Ik was een van de eersten die werd aangenomen door Jan de Vries. Misschien was het wel daarom dat hij mij persoonlijk begeleidde op mijn eerste wankele schreden op het journalistieke pad. Ik moest mijn stukjes een keer in de week bij hem inleveren, waarna hij er met een rode pen doorheen ging en wij het samen bespraken. Hij was allergisch voor ‘moeilijke’ woorden. Ik had eens het woord ‘destructivisme’ gebruikt. Waarop Jan zei: ‘Denk je dat tante Mien op het Hanepad dat begrijpt?’
Lars Meiners
‘Ik heb Jan de Vries in de vijf jaar dat ik met hem te maken heb gehad, geregeld achter het behang geplakt.’
In de zakelijke relaties tot Jan de Vries denk ik dat ik van allemaal de meest unieke positie heb ingenomen. Ik volgde hem op als hoofdredacteur van De Typhoon, en kreeg daarmee in de meest directe zin met hem te maken als directeur. Van De Typhoon dus ook. Dat ging binnen een week al niet goed. Jan had als hoofdredacteur een soort kruistocht gevoerd tegen ziekenhuis De Heel, en in die eerste week wapperde de voortgang daarvan op twee velletjes tekst op m’n bureau. Mijn mededeling dat z’n bijdrage van harte welkom was in de brievenrubriek, viel niet goed. Achteraf gesproken, denk ik, is dat dispuut onze verstandhouding gaan definiëren.
Van alles wat je Jan kon toekennen, was het vooral z’n gedrevenheid. Hij pakte van alles en nog wat op. Soms had hij er wat moeite mee om de grenzen te ontwaren tussen zijn beroep als directeur en z’n aan mij overgedragen beroep als hoofdredacteur. Maar daar kwamen we na stevige gesprekken in de meeste gevallen wel uit. Ik kan op dit punt alleen maar van hem zeggen: hij was een gedreven pleitbezorger voor de Zaanse regio. En dat heeft zowel de Zaanstreek als ook De Typhoon goed gedaan.
Die doenerige instelling van hem viel ook op bij de overkoepelende uitgeverij Damiate in Haarlem. En niet alleen vanwege z’n organisatietalent. Jan was een gedreven voorstander van een fusie tussen de Damiate-dagbladen, waaronder Haarlems Dagblad en De Typhoon. Onder meer dat maakte hem in Haarlem zó populair dat hij werd benoemd in de Damiate-directie. Maar bij de redactie in Zaandam kreeg hij er, laat ik maar zeggen, de handen niet voor op elkaar. Uiteindelijk is het er — en ik moet toegeven: verre van onterecht — toch van gekomen, en bleek ik de laatste zelfstandige hoofdredacteur van De Typhoon te zijn geweest.
Vanwege die fusie belandde ik in de Haarlemse hoofdredactie. Daar ontstond naar m’n herinnering op een gegeven moment een dispuut over de redactionele onafhankelijkheid, waar we als hoofdredacteuren niet uit kwamen. Nadat alle argumenten uitgeput waren, ben ik ermee naar Jan gegaan. Die liep, zoals ik hem kende, al snel rood aan. ‘Daar gáán we weer…’, dacht ik. Maar hij brieste: ‘Zijn ze daar helemaal gék geworden…!’
Kijk. Dáár vonden we elkaar haast blind. Hij was een man met een geweldig journalistiek hart.
Ik heb Jan de Vries in de vijf jaar dat ik met hem te maken heb gehad, geregeld achter het behang geplakt. Door de wringer gehaald. Jan was — understatement — geen makkelijk mens. Maar hij had ten opzichte van mij — krantendirecteuren in Nederland hebben geen zeggenschap over hoofdredacteuren — een bar lastige functie. Zeker ook omdat hij daarvoor jarenlang zelf op mijn stoel had gezeten. Hij heeft al met al, denk ik, vanwege die zelfstandigheid net zo veel te stellen gehad met mij.
Nou ja… bijna net zo veel.
Wendy Kind
‘Jan bleek veel toegankelijker en vriendelijker dan die eerste indruk destijds. Al moest je niet te vaak te laat komen.’
Jan de Vries was mijn allereerste heuse echte hoofdredacteur, toen ik als 18-jarige stage kwam lopen bij De Typhoon. Op de School voor de Journalistiek in Utrecht vonden ze me nog wat te springerig voor de door mij zo vurig gewenste stage bij de Volkskrant in het bruisende Amsterdam. Maar bij een Zaanse krant hadden ze nog wel een plekje. Tja.
Enigszins teleurgesteld pakte ik vanuit mijn woonplaats Uithoorn de Enhabo-bus, een eindeloze reis. En belandde daar, aan de Westzijde, onverwacht in een warm bad.
Lieve redacteuren, een fijne club vol humor, en de baas was toch echt Jan de Vries. Die alleen al vanwege zijn lengte, zijn statige gestalte en zijn vorsende blik en basstem een diepe indruk op mij maakte.
Jan bleek veel toegankelijker en vriendelijker dan die eerste indruk destijds. Al moest je niet te vaak te laat komen.
Telkens als we elkaar daarna tegenkwamen, bij welke gelegenheid ook, was die ontmoeting opnieuw warm en hartelijk.
De Typhoon, met Jan aan de knoppen, was mijn start in de journalistiek.
Pieter Groenewold
‘Voor hem stopte de journalistiek niet voorbij Oost-Knollendam.’
In 1979 volgde Jan de Vries als hoofdredacteur Cees Meier op die met pensioen ging. Jan, toen 45 jaar oud, kwam van Het Parool. Hij liet vrijwel direct een frisse wind waaien over de wat ingedutte redactie.
Hij zou grenzen verleggen en de krant meer allure geven. Zelf werkte ik toen twee jaar op de streekredactie.
Nog maar net aangetreden als hoofdredacteur werd De Vries geconfronteerd met een sterfgeval als gevolg van een anesthesiefout in het toenmalige ziekenhuis De Heel. Jan beet zich vast in deze zaak en schreef scherpe columns die hem door de specialisten van De Heel niet in dank werden afgenomen. Daar had Jan lak aan.
Mij vroeg hij een interview te maken met professor Smalhout die in 1972 landelijk bekend werd na het uitspreken van zijn geruchtmakende inaugurele rede ‘De Dood Op Tafel’. Hij onthulde dat als gevolg van medische fouten in de anesthesiologie jaarlijks enkele honderden mensen op de operatietafel overleden. Dat werd hem door zijn collega’s niet in dank afgenomen maar was munitie voor Jans kruistocht tegen De Heel.
Uiteindelijk kreeg ik de professor aan de lijn maar die bleek op dat moment op een congres in Hamburg te verblijven. Jammer maar helaas, einde verhaal. Althans, zo zou dat voor de komst van Jan zijn verlopen. Maar De Vries keek mij aan en zei: ‘Als je nu in je auto stapt, kun je over zes uur in Hamburg zijn.’ Vijf minuten later was ik op weg en ’s avonds kreeg ik mijn interview met professor Smalhout!
Dat was Jan de Vries. Afkomstig van een landelijke krant als Het Parool liet hij zich niet weerhouden door regionale grenzen waarbinnen De Typhoon placht te opereren. Voor hem stopte de journalistiek niet voorbij Oost-Knollendam. Dat bleek ook toen hij sterverslaggever Rob van den Dobbelsteen van Het Parool naar De Typhoon wist te lokken. Een opmerkelijke stap, want meestal zien verslaggevers een lokale krant als springplank naar een landelijk medium. Niet andersom. Maar Rob ging bekende Nederlanders interviewen voor De Typhoon en reisde de halve wereld rond op kosten van reisorganisaties.
Jan de Vries verbreedde de krant. Zelf profiteerde ik daar ook van. De nieuwe hoofdredacteur vond het prima dat ik op kosten van platenmaatschappijen naar Stockholm vloog voor een Abba-interview. Of naar Engeland voor de Bee Gees, The Who en Led Zeppelin. Zoals gezegd, Jan de Vries verlegde grenzen en gaf het ‘lokale sufferdje’ een stevige oppepper.
Meer allure. In 1985 verruilde ik De Typhoon voor de Margriet en werd Jan directeur. We verloren elkaar uit het oog.
Hoewel, tot kort voor zijn dood kwam ik hem nog regelmatig tegen bij de Albert Heijn aan de Vrieschgroenstraat. En altijd maakte hij tijd voor een vriendelijk praatje. Ik zal het missen.
Ronald Massaut
‘Jan de Vries was een Meneer.’
Het duurde even voor ik ‘Meneer de Vries’ gewoon met ‘Jan’ aansprak. Of híj nu een natuurlijke barrière opriep of dat ik het zelf deed, Jan de Vries was ‘een Meneer’. Zeker als jong broekkie was enige afstand gepast.
Het was begin jaren ’80 dat ik voor het eerst kennismaakte met Jan de Vries; diploma van het Zaanlands Lyceum op zak, klaar voor de volgende stap. Ik wilde journalist worden. Maar de banen lagen niet voor het opscheppen. Had je de School voor de Journalistiek afgerond, dan waren je kansen veel groter. Met praktijkervaring kon je automatisch worden toegelaten. Loten betekende een kans van 1 op 20. Mede daarom was ik naast school al ruim een jaar freelancemedewerker op de sportredactie van De Typhoon, later ook op de streekredactie. Helaas nog te kort of te weinig om automatisch te worden toegelaten. En ja, ik werd inderdaad uitgeloot. Wat nu?
Is er bij De Typhoon een leerling- of opleidingsplaats, schreef ik aan Jan de Vries. Zijn antwoord: kom maar langs, in ieder geval voor een gesprek. Wat onwennig bij ‘Meneer de Vries’ aan de koffie en vragen als: waarom wil je journalist worden? Wat zijn je ambities? Waar liggen je interesses? Na een tijdje zei Jan bijna vaderlijk: ‘Oké Ronald, luister. Hier op de redactie is geen plaats vrij. We hádden een vacature en die hebben we ingevuld met een jonge freelancer die al drie jaar voor De Typhoon werkt. We hebben niet de ruimte om een opleidingsplaats te creëren. Maar misschien weet ik een alternatief. We gaan een huis-aan-huisblad starten en daar is ruimte voor een jonge verslaggever. Als je wilt neem ik het op met de nieuwe chef-redactie. Het is wellicht niet wat je zoekt, maar het kan voor jou deur openen naar de School voor de Journalistiek.’ Jan de Vries was inderdaad ‘een Meneer’, maar met hart voor jonge, gedreven collega’s.
Hij liet je redelijk vrij; mengde zich niet in meningsverschillen, bleek later.
Bij het weekblad werkten we autonoom, los van het dagblad. Maar wel volgens dezelfde journalistieke principes. Vaak visten we ook in dezelfde vijver; deden we dezelfde onderwerpen, alleen anders. Dat moest een keer spaak lopen. ‘Ronald, je moet even naar beneden, naar de chef-redactie om te overleggen over een interview dat jij hebt gemaakt. Ik zeg het maar vast: de streek wil dat je jouw stuk opgeeft. Denk even na voor je naar beneden gaat’, zei chef huis-aan-huis Cees van den Kommer op vaderlijke toon.
‘Beneden’ werd er aan het chefsblok al ongeduldig op mij gewacht. ‘We willen die-en-die interviewen, maar jij hebt exclusiviteit met ze bedongen. Dat kan niet. Het dagblad komt op de eerste plaats. Je tekst is af en die willen wij vanmiddag meenemen.’
Geen uitleg waarom, zeker geen compliment voor het harde werk. Oh, en wij dan? ‘Och, dan maak je toch gewoon iets anders. Je hebt nog een hele dag de tijd. Ennuh… het is maar voor het weekblad, hè.’ Ik kijk om mij heen en tel de koppen. Volgens mij zitten hier twaalf verslaggevers. Dan maak je toch gewoon zelf even iets anders, gaf ik de opmerking terug.
Jan de Vries stond er vanaf het begin bij, maar mengde zich niet in het gesprek. Hij had eenvoudig zijn gezag kunnen laten gelden, maar deed dat niet. Hij liep wel licht rood aan en maakte zich haastig uit de voeten. Later hoorde ik van de chef-huis-aan-huis, dat hij buiten zicht van de collega’s vreselijk heeft gelachen om de koele onverzettelijkheid van een leerling-journalist. Voor hem iemand die het kleed van ‘leerling’ van zich af had geschud.
Alsnog toegelaten tot de opleiding heb ik in het tweede jaar stagegelopen bij Nieuwe Revu en daar — naast de opleiding — een mooi meerjarig freelancecontract aan overgehouden; twee dagen Utrecht, drie dagen Amsterdam. Een half jaar na de opleiding werd de freelancepoule uitgekleed en moest ik op zoek naar ander werk. Opnieuw Jan de Vries — toen directeur-hoofdredacteur — om hulp gevraagd. ‘Er is wellicht ruimte bij het Leidsch Dagblad. Ze willen in Alphen a/d Rijn een weekblad opzetten en jij hebt de ervaring. Bel Nico Quakernaat (eerder ook Typhoon) maar. Ik zal hem wel zeggen dat ik je heb gesproken.’ Geen beloftes, geen toezegging, maar een keer in Leiden was het toch snel beklonken.
Ook Leiden duurde maar twee of drie jaar. Een vacature bij De Typhoon leek meteen een nieuwe kans. Redactiechef Ger van Dongen legde mij tijdens een sollicitatiegesprek het vuur na aan de schenen, want hé: het was zíjn oude functie als redacteur industrie waar ik voor kwam. Maar we vonden elkaar. Een dag later een kort telefoontje van Jan de Vries: ‘Gefeliciteerd!’
Jan de Vries was ‘een Meneer’, liet chefs en journalisten hun werk doen. Maar hij was er wel degelijk. Hij had ook oog voor wat er op de achtergrond speelde. Later hoorde ik van andere jonge collega’s dat Jan er was als zij hem nodig hadden.
Als redacteur industrie bij De Typhoon sprak ik Jan daarna vaker buiten dan binnen de muren van de krant. Vooral bij Zaanse ondernemersbijeenkomsten. Dat was ook pas het moment dat ik ‘Meneer de Vries’ met Jan aansprak. Tips gaf hij ook: ‘Kijk maar of het wat is voor de krant’, zei hij dan. Niet dwingend, maar als Jan met een tip kwam ging je erachteraan, want hij had oog voor nieuws. Een ‘krantenmeneer’ is niet meer.
Winnie de Wit
‘Op een koude winterochtend, vroeg in 1987 ging de bel – daar stond Jan de Vries in zijn bonkertje.’
Jan de Vries overleden – wat een groot verdriet, voor zijn lieve vrouw Nel, en de rest van de familie. Ik wens hen allen veel sterkte toe…
Afgelopen oktober mailde ik Jan en Nel nog of we elkaar nog weer eens zouden ontmoeten. Er kwam geen antwoord, maar Jan hield zich naar eigen zeggen ook ‘niet genoeg met elektronische informatie bezig’, waardoor hij zich ‘geïsoleerd’ wist.
Behoorlijk ontdaan was hij na mijn mail over het plotselinge overlijden van mijn Jan in december 2023. De Orkaan las hij sporadisch – net als ander elektronisch nieuws – dus had hij het gemist.
In februari 2024 was ik voor het eerst en het laatst bij hem en Nel op bezoek. Mooie verhalen kwamen er over zijn verleden als journalist bij Het Parool, en over de lastige klus van het in elkaar weven van Typhoon met Haarlems Dagblad. Het smaakte naar meer, maar dat is er dus niet van gekomen, helaas.
Mijn mooiste herinnering aan Jan:
Op een koude winterochtend, vroeg in 1987 ging de bel – daar stond Jan de Vries in zijn bonkertje. Of Jan ook thuis was – ja, die zat in de keuken onze Noortje de fles te geven. Jan bracht Jan een cheque als dank voor het onderzoek dat hij had gedaan over de Kabelkrant – destijds voor papieren krantenmensen een totaal nieuw medium.
Mijn Jan was totaal verrast. Hij kocht er een handig mini-vaatwassertje van, waarbij je alleen de pannen nog even met de hand moest afwassen.
Typerend voor Jan de Vries vind ik zijn uitspraak over ‘dat warme Zaanse nest’ wanneer hij het had over zijn tijd bij De Typhoon.
Dit mooie warme mens moeten wij allen helaas missen.

Door: Merel Kan en Piet Bakker, met informatie van de familie van Jan de Vries (ook de foto’s kwamen van hen. We hebben gezocht naar eventuele rechthebbenden, maar kwamen er niet uit. Mocht jij het zijn: neem dan vooral contact met ons op). Verder grote dank aan alle oud-collega’s die hun herinneringen wilden delen.