Op de dag dat we schreven over Zaanse mezen en mussen zag ik beide soorten in de tuin rondscharrelen op zoek naar eten. Twee mezen en één mus. Da’s niet ongewoon, mezen zijn vaak met een maatje. Mussen meestal maar alleen. Dat er meer mezen dan mussen geteld worden, is dan ook niet zo gek. Mezen spelen gewoon vals. En dan zijn er ook nog pimpel- en kool-varianten. Hoe iemand die uit elkaar kan houden, is mij een raadsel.

Ik ben meer mussenman dan mezenmens dus besloot de mus een handje te helpen met een nootpakket. Dat er af een toe een mees een nootje mee zou pikken nam ik op de koop toe.

Binnen vijf minuten fladderde de eerste vogel de tuin binnen. Niks mees of mus. Maar een ekster (een Pica Pica – mooie naam). Rossini schreef daar een opera over: La gazza ladra (De diefachtige ekster) – ook wel als ‘stelende ekster’ vertaald, maar ‘diefachtige’ is natuurlijk mooier.

De ekster diefde binnen 10 minuten de hele nootvoorraad op en deed dat nogal ‘on-eksterig’: hij/zij hing als een reuzenkolibrie bij de notenkorf. Had ik maar eerst op de site van de Vogelbescherming gekeken: ‘Eksters zijn intelligente vogels met een fascinerende leefwijze. Tot hun derde levensjaar leven eksters in jeugdbendes.’ Eksters eten wat ze kunnen vinden aldus de Vogelbescherming. Mijn mussennootjes dus. ‘Ze profiteren in steden van het extra voedselaanbod dat mensen opleveren’.

Ik voer voortaan niet meer bij. Voordat je het weet zijn er bij de volgende vogeltelling meer eksters dan mezen.

Door Piet Bakker, met dank aan de Vogelbescherming.