‘Daar in Moscou heb ik mijn mooiste jeugdtijd doorgebracht’, schreef Martha Muis, mijn tweede moeder, over het dromerige Salland, waar zij honderd jaar geleden werd geboren. Nog nooit had ik gezworven door dat gebied, dat ik alleen uit haar verhalen kende. Honderd jaar later ga ik dat eindelijk doen, in gezelschap van mijn stiefbroer, in een halfhartige poging sporen van haar verblijf te vinden. Een vergeefse tocht, zo zal al snel blijken, maar toch een met een goed einde.
Door Martin Rep
Naast het bord ‘Pontje in de’ hangt een tweede bordje, met een groen vinkje en de tekst ‘vaart’. Het pontje vaart! Goed nieuws, we kunnen de Overijsselse Vecht oversteken.
Maar bij het Marskampveer is niemand te zien. We moeten het doen met een console die op de pont staat onder een afdakje – handig, want daarop zit een zonnepaneel. Wij zijn vooral blij met de beschutting die het biedt tegen de regen.
Arthur onderzoekt het apparaat en drukt op een knop. Na een tijdje zet een wiel, dat aan de ketting trekt waarmee het bootje is verbonden met de overkant, zich piepend en hijgend in beweging.
Bijna zonder dat het zichtbaar is, beweegt het veer zich naar de overkant van de Vecht. Goed dertig meter, schat ik. We doen er meer dan vier minuten over. Geen probleem, wandelaars hebben zelden haast, en we beleven hier het hoogtepunt van onze wandeling door de omgeving van Hardenberg. Door het land van Martha Muis, Arthurs moeder. Het land van mijn stiefmoeder. Arthur en ik zijn op zoek naar sporen van haar. Maar van iemand die honderd jaar geleden werd geboren, vind je niet veel sporen meer.
In Salland, het land waar mijn stiefmoeder is geboren, was ik nog nooit geweest. Ik kende het uit de verhalen die Martha ons erover vertelde toen ze bij ons was komen wonen. Het was een heel andere wereld dan waar ik was opgegroeid. Ik kende fabrieken, een vervuilde en stinkende stroom en een lange reeks huizen die aan weerszijden van de Zaan, gewoon tussen de fabrieken, waren neergezet.
De wereld van Martha bestond uit bossen, weilanden, uit eindeloze vaarten en prachtige tuinen, en uit sloten met kikkers die zij en haar zes zusjes opbliezen. Het plaatsje waar ze was geboren, heette Moscou, of misschien Ambt Hardenberg, en het lag zo dicht bij Duitsland dat de mensen er net zo makkelijk Duits spraken als Nederlands. Ze moesten elke dag heel lang naar school lopen en zondags twee keer nog veel langer naar de kerk.
Het was in 1956 dat Martha bij ons haar intrede deed. Mijn vader was een jaar eerder weduwnaar geworden. Hij zocht een flinke vrouw voor het huishouden en onze sigarenwinkel. Huwelijk niet uitgesloten. Martha was precies de hardwerkende en ook nog aantrekkelijke vrouw die hij zocht. Kind geen bezwaar: ze nam haar bijna vijfjarige zoontje Arthur mee. Een goed jaar later trouwden Martha en mijn vader.

In Salland woonden toen waarschijnlijk al niet veel familieleden van Martha meer. In ieder geval ben ik er nooit met mijn vader en mijn tweede moeder op familiebezoek geweest. Pas een jaar of twintig later kwam ik voor het eerst een beetje in de buurt, toen we met onze kinderen een dagje naar Ponypark Slagharen gingen. (We zijn er nooit terug geweest omdat we het volle pond moesten betalen voor Natasja, die, minder dan een jaar oud, nog in de kinderwagen lag.)
Arthur is er, zo vertelt hij me op deze wandeltocht, wel een paar keer met Martha geweest. Maar aan zijn vage herinneringen hebben we niet veel. En de uitbaters van het eetcafé in Bergentheim, waar we bij de start van onze tweedaagse wandeling de auto neerzetten, halen hun schouders op als hij peutert in het verleden – “dat is allemaal zo lang geleden.”

Het eetcafe staat aan een kanaal met de prozaïsche naam Kanaal Almelo – de Haandrik. Is dit het water waarover Martha aan het einde van haar leven herinneringen ophaalde?
‘Vader had er een prachtige tuin aangelegd en we woonden midden in de natuur, achter ons huis allemaal bos en verder rondom korenvelden en niet te vergeten veel wijken: vaarten voor de turfschepen. Daar in Moscou heb ik mijn mooiste jeugdtijd doorgebracht.’
We steken het kanaal over, vervolgen onze weg aan de andere kant van het water en worden na een tijdje ingehaald door het Vechtdallijnen-boemeltje van Almelo naar Hardenberg, dat hier gewoon als een tram langs de straat loopt. Wat verderop, in het bos, houden we een oude man aan op een fiets, die weet vast wel meer over vroeger. Dat klopt. Hij kan zich sluiswachter Ten Broeke herinneren, een oom van Martha bij wie ze een tijd heeft gewoond na de scheiding van haar ouders. Ze maakte daar kennis met haar nichtje Jannie ten Broeke, met wie ze haar leven lang vriendinnen is gebleven. Het geeft moed, maar het zal zo’n beetje het enige spoor zijn van mijn tweede moeder dat we zullen vinden.
De Vecht, die we al snel tegenkomen, is aanzienlijk mooier dan het kaarsrechte Kanaal Almelo – de Haandrik. Ze slingert zich langs bosranden en weilanden, het water lijkt snel te stromen. Arthur haalt ondertussen herinneringen op aan zijn jeugd. Het was voor Martha, die op vijfentwintigjarige leeftijd moeder werd, moeilijk in haar eentje een kind op te voeden. In de jaren vijftig werd je dan met de nek aangekeken. Arthur moest weleens worden uitbesteed bij verre familie die hij niet kende en waar hij alleen maar huilde. Voor moeder en kind was het een uitkomst dat zij bij ons aan de Meidoornstraat in Zaandam onderdak vonden. Zeker toen dat een jaar later uitmondde in een huwelijk. Het was voor mij als tienjarig knulletje wel ingewikkeld om er opeens een broertje bij te krijgen. Er was een einde gekomen aan mijn positie als jongste kind, en Arthur kreeg er opeens drie oudere broers bij.
Arthurs verhaal wordt onderbroken als we bij het Marskampveer de Vecht moeten oversteken. Hardenberg, waar we een B&B hebben gereserveerd, bereiken we dan niet veel later. In de regen. ’s Avonds praten we verder bij. Veel sporen van Martha zullen we niet vinden, is onze conclusie. Misschien moeten we toch beter onderzoek doen – maar helaas is onze belangrijkste bron, Martha zelf, al zo’n vijftien jaar geleden overleden, en haar zussen en broers leven ook al lang niet meer.

Toch geeft mijn stiefbroer mij wel degelijk inzichten in het leven van zijn moeder die mij dichter bij haar brengen. En bij hem. Hij vertelt me een verhaal dat ik niet kende.
‘Het is maar goed dat m’n moeder gereformeerd was en niet katholiek’, vertelt Arthur. ‘Martha heeft me verteld dat ze naar het opvanghuis voor ongehuwde moeders in de Biltstraat 186 Utrecht is gegaan om afstand van mij te doen. Maar dat was een gereformeerde instelling, die als doel had dat de moeders hun kind zelf gingen opvoeden en hun kind ook zouden houden. Ze hebben haar ervan overtuigd dat ze mij moest houden.’
‘In katholieke tehuizen ging dat wel anders. De moedertjes werden daar beschouwd als “gevallen meisjes”. Ze kregen hun baby niet te zien en werden gedwongen papieren te tekenen waarmee ze afstand van hun kind deden.’
Voor Martha was het een zeer bewuste maar voor die tijd ook heel dappere beslissing om haar kind te houden en op te voeden. Haar leven als alleenstaande moeder was zwaar en moeilijk.
De wandeling zit er bijna op, we hebben nog een dag te gaan. We besluiten de volgende dag de kant van het Beerzezand, in de buurt van Ommen, op te gaan, een bosachtig gebied ten westen van Hardenberg. Het is er mooi, maar ‘t zal verder geen sporen van Martha opleveren. We hebben niet gevonden wat we zochten, maar je stiefbroer beter leren kennen, dat is toch ook wel wat waard.
En we hebben nog een mooi verhaal aan de wandeling overgehouden. Dat pontje over de Vecht, dat was toch wel een hele belevenis.
Door Martin Rep. Foto boven: Arthur aan de Vecht bij Beerze. Lees ook: Het gebutste leven, het levens verhaal van Martha Muis.