Martin Rep: Verhalen voor bij de centrale verwarming

Het is niet alleen bittere noodzaak, maar ook een sport om het moment dat we de thermostaat omhoog draaien, zo lang mogelijk uit te stellen. Vóór de democratie, tegen de hoge energierekening. Maar wat als het weer zo koud wordt als vroeger?

Oktober 2022, dinsdagochtend in Holland. Buiten is het 7, binnen 17.0 graden. De thermostaat slaat pas aan als de temperatuur onder de 14.5 graden komt. Een jaar geleden zou ik hem even, een halfuurtje maar, op 21 hebben gedraaid. Maar nu even niet. Vanwege de energierekening, vanwege de democratie – koud douchen tegen Poetin doe ik nog net niet, maar als het moet, meld ik me meteen als vrijwilliger – en vooral vanwege het milieu. En ach, wat is koud?

Februari 1956. Ik sta in onze koude huiskamer naast mijn vader en kijk vol spanning toe hoe hij het klepje van de kolenkachel open doet. Ik ben nog in pyjama, ik bibber. Naast m’n vader ligt een stapeltje dunne latjes – van lege sigarenkistjes misschien, etalagemateriaal uit de winkel, ze ruiken lekker naar tabak – een oude krant, en de kan petroleum die ik gisteren voor twee dubbeltjes heb laten vullen bij de drogisterij op de Zuiddijk, vlak bij de Hanenpadsluis.

De kamer is koud, mijn slaapkamer is koud. ik werd vanmorgen wakker met ijsbloemen op de ruiten. Ik trok de zware kruik onder m’n dekens vandaan en kroop op handen en knieën naar het raam. Hoe bestaat het dat er zulke mooie dingen bestaan als ijsbloemen. Ik krabde er met m’n nagels overheen en trok dunne lijntjes over het glas. Ik liep de trap af, de kachel zal straks wel snorren. 

Mijn vader rammelt met de pook aan een knop van de kachel, de koude as valt in de asla. Die mag ik straks legen in de asemmer, achter de keukendeur, maar voorzichtig, anders ligt er een grijze laag stof op de vloer.

Hij maakt een prop van De Zaanlander van gisteren en legt er wat houtjes op. Hij gaat staan en pakt de kan met petrolie. “Effe opzij, knecht.” Ik hoor het klotsen in de kan en het sprenkelen van de vette vloeistof op het papier. Hij pakt zijn aansteker en houdt die bij het doordrenkte krantenpapier. Gele vlammen schieten omhoog en jagen al gauw de houtjes in de fik, een brandlucht kruipt de kamer in. In de kachel is het altijd Luilakfeest, denk ik.

Mijn vader klapt het deurtje van de kachel dicht en gebruikt de pook om ’t deksel op te tillen. Hij tilt de kolenkit op en schudt voorzichtig een paar handjes eierkolen – die zorgen volgens hem voor de allerbeste warmte – naar binnen. Het lijkt alsof de houtjes uitgaan, zie ik terwijl ik probeer door de ondoorzichtige mica ruitjes in het deurtje te kijken. Na een paar minuten zie ik hoe een oranje gloed zich meester maakt van de zwarte kolen. Binnen vijf minuten zal het beginnen warm te worden in de kamer.

Het wordt tijd om me te wassen bij de kraan, boven op de overloop. In de keuken heeft mijn moeder de melk al opgezet voor de havermoutpap. Het is veilig en al bijna warm aan de Meidoornstraat in Zaandam. 

De winter van 1956 was koud, loeikoud. Maar dankzij onze Limburgse kolen en de Limburgse kompels hoefde niemand in Nederland het koud te hebben. Toch waren kolen duur, mijn vader liet de kachel elke avond uitgaan, dat scheelde weer een paar dubbeltjes.

Buiten huilt de wind om ’t huis 

Maar de kachel staat te snorren op vier 

Er hangt een lapje voor de brievenbus 

En in de tochtigste kieren zit papier

(1948, Kees van Kooten en Wim de Bie)

Toen het nog echt koud was: in 1890 liggen de schuiten vast in het ijs op de Zaan. Foto Gemeentearchief Zaanstad

Januari 1934. Opa Rep was beurtschipper geweest en voer tussen Zaandam en Amsterdam, maar was werkloos geworden nadat hij niet meer kon lopen vanwege de ‘rimmetiek’. Opa en oma namen commensaals, kostgangers, in hun huis aan de Jan Windhouwerstraat, maar in de winter, als de straten vol sneeuw lagen en je zelfs over het ijs naar de overkant van de Zaan kon lopen, redden ze het niet, de schamele voorraad kolen was al lang op toen de winter goed doorzette.

Er zat voor opa niet anders op dan aan te kloppen bij de kerk. In de kerk werd regelmatig gecollecteerd voor kolengeld, heel wat broeders en zusters hadden het niet breed. Maar je hand ophouden bij de diakenen, dat deed je niet zo gauw. De schande van de mensen van de diaconie die over de vloer kwamen, die wilden weten hoeveel je verdiende, wat je met het geld deed en of je het niet verzoop, was haast tastbaar. 

Maar het geval van mijn opa was duidelijk. Siem Rep was een werkloze schipper, die samen met mijn oma dagelijks zorgde dat de hongerige commensaals een goed bord eten hadden en elke week schone lakens op hun bed. Bovendien gingen opa en oma iedere zondag naar de kerk, een belangrijke voorwaarde om in aanmerking te komen voor de aalmoes.

Corrie, hun oudste dochter, schaamde zich heel erg voor dat bedelen om kolengeld. In de jaren vijftig kregen opa en oma het wat beter, vooral dankzij de AOW van vadertje Drees. Corrie stond er toen op dat zij van hun spaarcentjes, die ze inmiddels hadden vergaard, het kolengeld aan de kerk zouden terugbetalen. Dat is nog gebeurd ook, want met tante Corrie moest je rekening houden.

Toen kwam de welvaart, en in Groningen, bij Slochteren, werd een aardgasbel van gigantische afmetingen ontdekt. We deden de kolenkachels de deur uit en lieten centrale verwarming aanleggen, onze huizen werden warm dankzij het gas, en wij werden rijk van de export.

Maar in oktober 2022 dringt weinig aardgaswarmte door in onze woonkamer. Het is ook een beetje een sport om het moment dat we de thermostaat hoger draaien, zo lang mogelijk uit te stellen. Door de klimaatverandering is de kans op een koude winter als 1956 of 1934 trouwens net zo groot meer. Maar om allerlei redenen verlang ik terug naar die snorrende kolenkachel in dat kleine kamertje, achter de winkel in de Meidoornstraat.

We gingen nog in ’t bad, haartjes nat 

Nog even op, totdat vader zei: ‘Vooruit, naar bed.’

Dan kregen we een kruik mee 

Gezichten in ’t behang 

Maar niet echt van binnen bang 

Toen was geluk heel gewoon 

(1948, Kees van Kooten en Wim de Bie)

Foto boven het stuk: De winter van 1963. Ingevroren schepen ter hoogte van vroegere fabrieken van Blans. Foto Gemeentearchief Zaanstad

Deel dit artikel:

7 reacties

  • Louis Dirksen

    Ja, de mini ijstijd: 1940 tot 1988. 13 koude tot zeer strenge winters.Twee winters van de eeuw, een van het millenium. Nu voorspelt men al jaren de winter van de eeuw maar voorlopig zijn het alleen de zomers die de naam maken.

    Overigens viel de winter van 1956 precies in Februari, maar dat werd dan ook meteen weer de koudste ooit. En toen moest 1963 nog komen…..

    Aanbevolen lectuur: Het boek 40 Zaanse ijswinters van winterliefhebber Grootes uit Westzaan en Louis Dirksen, de winter van 1963, gepubliceerd in de Jol , april 2013.
    De Jol is een uitgave van Oudheidskamer Oostzaan

  • jan de vries

    En dan de oorlogswinters. Ik meen me te herinneren (ik was toen een jaar of 9) dat we in 1942 op de Zaan speelden, vlak bij de sluis, aan de kant van de Achterzaan. Er moest kennelijk een transport van iets door, want er werd een ijsbreker ingezet, die met moeite een vaargeul maakte waar het transport door kon. Maar de geul bleef vol grote schotsen liggen, en en paar uur later konden we er al weer over lopen.
    Jan de Vrries (niet die van D’66, maar ook niet die andere, want er zijn veel hondjes die Fikkie heten!)

  • Anneke Zwart-Bart

    Maandagochtend ergens in de winter van 1963. In mijn warme bedje achter het met ijsbloemen getooide slaapkamerraam hoorde ik het lawaai van brekend ijs in de Zaan. Op mijn knietjes achter op mijn bed, een kijkgaatje makend met warme adem, zag ik de ijsbreker zich een weg breken in de vaargeul. Verdrietig naar mijn moeder, die beneden al werk had aan de maandagwas in de keuken. Het rook naar sunlightzeep en warm sop. Het ijs wordt stuk gemaakt!!
    Verstandig en geduldig als zij was, legde ze mij uit dat het nodig was voor de fabrieken. En die waren nodig om de mensen te laten werken om geld verdienen voor hun gezinnen. (Zo verdedigde mama ook altijd de stank van welke fabriek dan ook) Gelukkig was de Zaan heel breed in de buurt voorbij de Noorderbrug en konden we ’s middags gewoon weer spelen op het ijs langs de wal. Koude en goede herinneringen, met een beetje kinderleed, dat wel.

  • Louis Dirksen

    Hier nog even het allerkoudste verhaal en een waardig slot van de mini-ijstijd.

    14 januari 1987. De allerkoudste ochtend die ik had beleefd en waarschijnlijk ook nooit meer zal beleven. Het is 22 graden onder nul en een zware Oosterstorm maakt het nog veel kouder. 14 januari 1987, de dag waarop de gevoelstemperatuur werd geïntroduceerd in Nederland. Om zeven uur sta ik aan het Zuideinde op de bus te wachten. De grote thermometer van de Rabobank wijst -21. Een wonder, de bus komt er aan. Op Amsterdam neem ik de trein naar Haarlem. Alle treinen rijden zowaar en ik stap uit in Haarlem. Nu moet ik een kwartier tegen de storm in bij twintig graden onder nul lopend naar mijn werk. Ik kom aan en de collega’s kijken verschrikt naar mijn gezicht. Fluks word ik op een radiator gezet om letterlijk te ontdooien. Dat lukt.

    Na die dag komt het grootste wonder. Nooit heb ik het meer koud gehad. Handschoenen gaan pas aan bij -5 en een jackje is meer dan voldoende. In Zweden joeg ik buren de stuipen op het lijf om alleen in een onderbroek gehuld op blote voeten bij -25 de asbak van de houtkachel te legen.

    Wim Hoff, the Iceman, bestond nog niet maar iedereen kan begrijpen dat ik zijn ideeën een warm hart toedraag……

  • Jan Nijkamp

    Mooi verhaal Louis. Maar -22 is het niet geweest op die dag.

    https://weerverleden.nl/19870114

    Ik fietste altijd het hele jaar door Koog aan de Zaan/Amsterdam en v.v. via de Hempont en heb één keer -19 meegemaakt wat voor mij toen direct de grens was om nog verantwoord te fietsen. Welke datum bij -19 past weet ik overigens niet meer.

    • Louis Dirksen

      Even afgaand op mijn, blijkt nu wat falende geheugen zijn hier een aantal data die daarvoor in aanmerking komen: 31 december 1978, 4, 5 en 6 januari 1979 en waarschijnlijk de vorstinval bij de laatste Elfstedenwinter, eind december1996.

      Ja, dat waren nog eens tijden. Gelukkig kostte het gas toen nog maar een dubbeltje (1979)………

      • Jan Nijkamp

        Ik vermoed dat het dan 1996 is geweest. Buiten mij was er die ochtend nog één andere fietser. Chris uit Castricum, voor deze koude gelegenheid gehuld in bubbeltjesplastic.

        Wim Hoff kwam ik ’s winters regelmatig tegen in het Rembrandtpark(?) waar hij in korte broek en op blote voeten om half acht ’s ochtends zijn rondje rende..

Reageren? Ja, graag! Houd je aan onze regels

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *