Negentienvierenzestig was me het jaartje wel. Dit jaar zestig jaar geleden. The Sixties bereikten hun voorlopig hoogtepunt in een tijd dat Nederland werd geregeerd door het kabinet-Marijnen, dat gevormd werd door de drie partijen die later tot het CDA zouden fuseren. The Beatles kwamen naar Nederland, en The Rolling Stones. Hoe beleefde ik, destijds achttien jaar, die periode? In een reeks verhalen sta ik stil bij grote en kleine dingen die destijds het vaderland in beroering brachten, of op een andere manier diepe indruk op mij maakten. Deel 1: de Beeldreligie.

Door Martin Rep

Negentienvierenzestig begonnen we met psalmgezang.

Tenminste: we begonnen om vier minuten voor twaalf in negentiendrieënzestig met het zingen van een psalm. Welke psalm, dat heb ik helaas niet genoteerd in het altijd wat bozige dagboek dat ik in die dagen bijhield, en ook niet wie het inzette, maar over dat laatste kan geen twijfel bestaan, dat moet mijn vader geweest zijn. Mijn broers of hun verkering zullen dat zeker niet gedaan hebben, ik al helemaal niet, laat staan mijn stiefmoeder, die wel van zingen hield maar dan toch liever Duitstalige liederen die ze uit haar geboortestreek nabij de grens had meegenomen.  

Mijn vader dus. Een emotionele man, die zich op sommige plechtige momenten enigszins onbeholpen maar wel goedbedoeld overgaf aan religieuze uitingen. Zoals een lang gebed op zondagavond na de maaltijd, of een lied dat hij passend vond. Zoals op deze oudejaarsavond negentiendrieënzestig. 

Draadomroep

Om negen uur hadden we de draadomroep aangezet om te luisteren naar de oudejaarsconference van Wim Kan, Twaalf miljoen oliebollen op aardgas – Nederland was inmiddels massaal aan het overschakelen van stadsgas op aardgas, dankzij de in Groningen gevonden bodemschatten die ons tot in de verre toekomst zouden verwarmen.

Draadomroep (De Orkaan)

Daarna deden een competitie tafelvoetbal, en toen zongen we dus die psalm. Waarschijnlijk was dat Psalm 90, die in veel christelijke gezinnen met Oud en Nieuw werd gezongen vlak voor de klok twaalf sloeg. Als dat zo was, dan was het een moeizame samenzang geweest, want een bekende melodie is het bepaald niet waarop de zwaarmoedige tekst werd gezongen:

Gij zijt, o HEER, van d' allervroegste jaren
Voor ons geweest een toevlucht in gevaren.
Eer berg en rots uit niet geboren waren,
Eer d' aarde rustt' op hare grondpilaren,
Van eeuwigheid, o God Die eeuwig leeft,
Zijt Gij de God, Die eind noch oorsprong heeft.

Het jaar was dus vrij traditioneel begonnen. Op nieuwjaarsdag aten we de gebruikelijke gestoofde aal. Op 3 januari reisde ik samen met een aantal klasgenoten  van het Zaanlands Lyceum naar Amsterdam voor de verplichte matineevoorstelling van de Gijsbrecht in de Stadsschouwburg, met Han Bentz van den Berg als Gijsbrecht en Ank van der Moer als Badeloch. Ik vond het wel een mooie voorstelling, noteerde ik in mijn dagboek. 

Maar toen, de volgende dag.

Wij hadden sinds een paar jaar televisie. Opa Siem Rep was in negentienachtenvijftig overleden en kort daarna had oma haar intrede genomen in een kamertje boven onze sigarenwinkel. Met een prachtig uitzicht over de Meidoornstraat. Zij had haar televisie meegebracht. 

Opa en oma Rep, in de jaren voordat ze televisie hadden. 1954.

Zo is het…

Die vierde januari heb ik geen tv gekeken. Naderhand zou ik een vaste kijker worden van het geruchtmakende programma Zo Is Het Toevallig Ook Nog ’s Een Keer, dat die avond werd uitgezonden. Maar de eerste twee uitzendingen, in november en december drieënzestig, waren aan mijn aandacht ontsnapt.

Zo Is Het was een voor die dagen snoeihard, ‘onafhankelijk, provocerend en last veroorzakend’  cabaretprogramma waarin de actualiteit centraal stond, met medewerkers als Rinus Ferdinandusse, Jan Blokker, Mies Bouwman en Gerard van het Reve. De verre voorloper van programma’s als Even Tot Hier en Arjen Lubach.

Ik had die uitzending dus niet gezien, ik hoorde er pas van toen ik de volgende dag over de vloer kwam bij mijn vriend Rob Berghege aan de Burgemeester Van de Stadtstraat, waar ik vrijwel elke zondag was te vinden. Robs moeder was ontdaan. Wat een spotternij, wat een godslastering, het Onze Vader werd belachelijk gemaakt. Vreselijk dat zoiets op de tv kwam, heel erg was het geweest.

Zo is het toevallig ook nog ’s een keer. Achter de tafels v.l.n.r. Dimitri Frenkel Frank, Mies Bouwman, Rinus Ferdinandusse en Peter Lohr, 7 december 1963. Foto © Anefo

Godslastering

Pas de komende dagen ontrolde het drama zich in volle omvang. Het christelijk dagblad Trouw sprak in het hoofdredactioneel commentaar over blasfemie, godslastering, die alle perken te buiten ging. Waarom werd er niet ingegrepen, aldus de krant, die zich vooral gestoord had aan het vergelijken van tv-antennes met het christelijk kruis en het ijdel gebruiken van uitspraken van Jezus. KVP-minister Bot van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen liet weten stappen tegen het programma te overwegen. De Telegraaf beleefde zijn finest hour en voerde een ware hetze tegen het programma, die leidde tot een stroom van scheld- en dreigbrieven aan de VARA en de medewerkers van het programma. Ver vóór het ontstaan van sociale media bleken Nederlanders al heel goed in staat tot het versturen van haatbrieven en vuilspuiterij.

Zelf kreeg ik maar langzamerhand een idee wat zich voor vreselijks had afgespeeld. Telvisie terugkijken bestond nog niet, alleen in actualiteitenprogramma’s kreeg je er wat fragmenten van te zien, en dan natuurlijk nooit de ‘ergste’, zoals het moment dat presentator Peter Lohr het Onze Vader en de Tien Geboden parafraseerde. Het programma signaleerde dat de kerken leeg liepen en de mensen in plaats daarvan Het Beeld aanbaden: het tv-scherm. In plaats van de christelijke religie was de Beeldreligie gekomen. Wie nu de beelden terugziet – ze staan tegenwoordig op YouTube – en de teksten leest, kan zich moeilijk de beroering uit negentienvierenzestig voorstellen.

Peter Lohr: 

“Met Kerstmis waren alle kerken ter wereld vol. Maar nu zijn ze al weer vele malen leger. En er heerst een grote vreze dat de mensen steeds minder gelovig zouden zijn. Maar die vrees, lieve broeders en zusters, is ongegrond. Want er is een nieuwe, oecumenische religie, die allen – gelovigen en ongelovigen – heeft bekeerd tot een nieuw, intens geloof.

De gelovigen van deze religie belijden hun eredienst in hun miljoenen kerken en kapellen. In de grote en in de kleine steden, in de rijke en in de arme buurten, overal waar de zending komt. En de zending reikt verre…

Van alle kerken en kapellen wenkt blijmoedig verkondigend het kruis.

Het kruis dat zegt tot de wereld: Wie horen kan die hore, wie kijken kan die kijke, hier is het licht, hier vindt gij de ontvangst, hier ziet gij het aanschijn van het Beeld. Want het Beeld is tot de mens gekomen en heeft de mens gevormd naar zijn evenbeeld.

Elke avond verzamelen zich de gelovigen rond het tabernakel en ontsteken het Heilige Beeld. Op zon- en feestdagen blijven zij bijna de gehele dag in devoot stilzwijgen bijeen. Het Beeld zij geprezen dat er slechts weinigen zijn die hun plicht verzaken en – in plaats van het Beeld te dienen – zich overgeven aan zondige bezigheden als daar zijn lezen, spelen of zelfs praten. Neen, de miljoenen en miljoenen gelovigen kunnen niet genoeg krijgen van de blijde boodschap: In den beginne was het Beeld en het Beeld was goed en het Beeld is goed. Komt allen tot het Beeld, die belast en beladen zijt, want het Beeld zal u rust geven.

En om dat aardse paradis te verwerven volgen de gelovigen trouw de geboden die het Beeld gegeven heeft:

Gij zult geen ander tijdverdrijf kennen dan het kijkbedrijf.
Gij zult u geen afgodsbeelden maken dan de beelden van het Beeld.
Gij zult niet naar uwen naasten kijken, gelijk uwe naaste niet kijkt naar u.
Maar bovenal: gij zult den knop geenszins omdraaien want dit is het Beeld een gruwel.

En zo won dit machtige geloof elke dag nieuwe discipelen, die gelijk met hun broeders en zusters neerknielen voor het Beeld en bidden: 

Geef ons heden ons dagelijks programma, wees met ons, o Beeld, want wij weten niet wat wij zonder u zouden moeten doen.”

Mies Bouwman

Vooral dat laatste fragment, waarbij Lohr devoot de ogen sloot en het hoofd boog, schoot vele tv-kijkers in het verkeerde keelgat. Dat Mies Bouwman, de ongekroonde koningin van de tv, die als een heilige werd vereerd nadat zij tijdens een tv-marathon miljoenen binnenhaalde voor de actie Open Het Dorp en de bouw van een woonwijk voor gehandicapten bij Arnhem mogelijk had gemaakt, hieraan had meegewerkt, was nog het ergste. Zij koos eieren voor haar geld en stapte al snel op bij het programma.

Mijn broers, beiden een stuk ouder dan ik, konden er wel om lachen. Ik was nog druk bezig mijn weg in het leven te vinden en twijfelde, temeer omdat ik de uitzending niet gezien had en niet goed wist hoe ‘erg’ het geweest was.

Eén ding stond vast: er was binnen een paar dagen al heel wat veranderd in het nieuwe jaar, dat we psalmzingend hadden ingezet. En dit was pas het begin.

Door Martin Rep.